
Ooit, in de jaren ’90, speelde ik gitaar. Ik kon het ook wel een beetje: eerst een paar akkoorden aanslaan en daarna met twee of drie vingers een loopje. Met mijn broer Alex (God hebbe zijn ziel) en een gezamenlijke vriend hadden we begin jaren ’90 een ‘bandje’, Stainless Steel genaamd. Lang haar en metal, want dat was toen hip.
Dat was een leuke tijd in de oefenruimte, zonder pretenties, maar met veel plezier. Een keer kwam mijn eerste verkering onverwacht een kijkje nemen in de oefenruimte en het zal me niet verbazen dat zij toen een wat vreemde geur had waargenomen.
Thans zitten we in 2025, zo’n 35 jaar later. Al minimaal 20 jaar geen gitaar meer aangeraakt en toch heb ik woensdag op het werk bij de kringloopwinkel een gitaar gekocht. Een elektrisch-akoestische, een Ortega RCE159MN. Met de hoge snaren van nylon en de lage snaren zilver omwikkeld.
Gekocht bij de kringloopwinkel dus ja, ik had eerste keus. Nu kan ik dus, als man van middelbare leeftijd, naar een gitaar in de hoek van de woonkamer staren en mijmeren: wat was dat toch een mooie tijd.
1 reactie op “Every Rose has its Paradise City”
Reacties zijn gesloten.