
Op de afdeling administratie werken drie mensen. Nou ja, twee mensen werken, en dan is er nog Storm. Hij gedraagt zich alsof hij een ex-marinier is, een man van staal en discipline, maar in werkelijkheid is hij vooral kampioen koffiedrinken en commentaar leveren. Hij laat geen kans onbenut om collega’s de les te lezen over ‘efficiëntie’, terwijl zijn eigen administratie een chaos is. Zijn toon is altijd belerend, zijn mening altijd aanwezig, en zijn werkethiek altijd afwezig.
Zijn favoriete bezigheid? Kritiek spuien. Edgar probeert een nieuw systeem in te voeren? “Veel succes, dat gaat natuurlijk nooit werken.” Jos zet zich extra in om de kwartaalcijfers op tijd af te krijgen? “Waarom span je je zo in? We worden toch doorbetaald.” Hij roept graag dat hij alles anders en beter zou doen, maar als het op daadwerkelijk werken aankomt, is hij een meester in ontwijken. Zijn eigen fouten verdwijnen onder een laag arrogantie en theatrale verhalen over vroeger.
Ondertussen sijpelt de demotivatie door de afdeling als een vlek in een appelmand. Storms neerbuigende houding zorgt ervoor dat Jos en Edgar zich steeds minder inzetten. Waarom nog moeite doen als alles toch wordt afgekeurd? Waarom nieuwe ideeën aandragen als ze meteen worden neergesabeld? Storm fungeert als een zwaartekrachtbron van middelmatigheid, een zwart gat waarin elke vorm van enthousiasme verdwijnt.
En zo dobbert de afdeling richting het composthoop-bestaan. Jos en Edgar vragen zich af waarom niemand Storm eruit gooit, maar diep van binnen weten ze het antwoord al. Rotte appels? Die gooi je weg voordat de hele mand gaat stinken.