
Ergens, op een godverlaten digitaal plein, staat een man op een zeepkist. Hij slaat op zijn borst, schraapt zijn keel en brult zijn mening de leegte in. Niemand heeft erom gevraagd, maar dat deert hem niet. Hij weet het zeker: de wereld moet dit horen. Zijn woorden zijn belangrijk, zijn inzichten onmisbaar. En als je het niet met hem eens bent, ben je dom, woke, fascist of juist een slapjanus. Argumenten zijn overbodig; volume en zelfvertrouwen zijn voldoende.
Dit tafereel herhaalt zich overal op het internet. Sociale media, forums, blogs – ze krioelen van de zelfverklaarde profeten die hun ‘waarheid’ prediken alsof ze Mozes zelf zijn, net terug van de berg. De drang om gehoord te worden is bij sommigen zo sterk dat ze vergeten te luisteren. Of erger nog: dat ze zich niet realiseren dat hun boodschap, zonder context of nuance, vaak niet meer is dan digitale ruis.
Het is een merkwaardig fenomeen. In de kroeg moet je nog een biertje kopen om mee te mogen praten. Op straat riskeer je een scheve blik of een flinke vuistafdruk in het gezicht. Maar online? Daar is het podium gratis. De zeepkist is stevig, het publiek eindeloos – althans, in de verbeelding van de spreker. En mocht iemand het wagen tegenspraak te bieden, dan is er altijd de blokkeerknop.
Misverstanden groeien gretig in deze monocultuur van meningen. Waar vroeger de nuance kon gedijen in gesprekken, worden nu stellingen geponeerd als absolute waarheden. Onderbouwde betogen worden overstemd door caps lock en schreeuwende gifjes. De digitale menigte reageert zoals men dat in de oudheid deed op het marktplein: wie het hardste roept, krijgt de meeste aandacht. En in het tijdperk van algoritmes wordt de luidste brul beloond met zichtbaarheid, clicks en – wie weet – een paar digitale volgelingen.
Ironisch genoeg is dit stukje dat je nu leest óók weer een mening, uitgespuwd in het digitale zwerk. Misschien is dat de grootste grap van allemaal: we ergeren ons aan de eindeloze stroom meningen, maar nemen toch de moeite om er zelf nog eentje aan toe te voegen. Ach ja, je moet toch wat op een godverlaten plein.